WITLIP HERT  
Het witliphert kwam van nature voor in noord en oost Xizang (Tibet), Gansu en Sichuan (Szechwan). Tegenwoordig is zijn habitat beperkter. Hij komt met name voor in bergachtig gebied, boven de boom-grens, waar hij zich voedt met gras. Het witlip hert is voor het eerst beschreven door Przewalski in 1883, na ontdekking 4 jaar eerder. In 1891 stelde Dr. W. G. Thorold 2 exemplaren veilig in Tibet. Ter ere van hem draagt dit hert ook wel de naam “Thorold’s hert”.

Het huidige aantal dieren wordt geschat op 30.000 – 50.000; de soort staat te boek als bedreigd. De donkerbruine zomervacht wordt gemarkeerd door lichtere vlekken. Neus en mond zijn omgeven door witte haren. In de winter wordt de vacht lichter en kleur naar grijsbruin. Het gewei, alleen gedragen door de mannetjes, is spectaculair. De dikke stangen dragen elk 5-6 enden en kunnen een lengte bereiken van wel 130 cm. Het gewei is relatief licht van kleur en kan tot 7 kg wegen.

Door continue bejaging is de soort schuw en waakzaam geworden en laat zich moeilijk in het wild bestuderen. De zintuigen van dit grote hert zijn goed ontwikkeld, vooral het zicht, hetgeen helpt bij de groepsvorming op de open bergvlakten. Ondanks zijn grootte is hij erg behendig en beklimt met gemak de rotsen en zoekt zijn weg over steile hellingen. Het witliphert vormt roedels van 5-40 dieren onder aanvoering van een vrouwtje. Volwassen mannetjes leven solitair.

 
  Cervus albirostris    
 
Hoogte
130 cm
Gewicht
200 kg
Gewei
130 cm
Leeftijd
16 jaar