MUNTJAC  
De muntjaks, vanwege hun geluid ook blafherten genoemd, leven in Zuid-Azië. Het zijn sluipherten en behoren tot de
schijnherten. Ze leven in bosrijke omgeving tot 3.000 meter, het zijn nachtdieren. Ze hebben een groot aanpassings vermogen en zijn redelijk schuw. Tot het paringsseizoen leven ze solitair om vervolgens kleine groepen van zo’n 2-3 dieren te vormen. De naam “reevesi” ontleent de soort aan John Reeves, de assistent inspecteur voor thee in 1812 voor de Engelse East India Cie.

Het kleine, onvertakte of eenmalig vertakte gewei staat op zeer lange rozenstokken, die op het gezicht in aanzet als verhoogde richels zichtbaar zijn. Daarnaast hebben de mannetjes verlengde hoektanden in de bovenkaak (tot zo’n 2,5 cm) die ook bij gesloten bek naar buiten steken. Bij onderlinge gevechten worden ze gebruikt.


In China is de Muntjak inmiddels beschermd.

 
  Muntiacus reevesi    
 
Hoogte
65 cm
Gewicht
20 kg
Hoorns
15 cm
Leeftijd
14 jaar
   
     
     
     
     
 
     
     
       
In het gebied waarin de soorten voorkomen, dat zich uitstrekt van Pakistan en Sri Lanka tot de Himalaja en Zuid- en Oost-China, Taiwan en zuidoostwaarts tot op Borneo, Java, Bali en Lombok, zijn de dieren een geliefd jachtwild; verder vallen zij ten prooi aan panters, tijgers, wilde honden en wat de kalfjes betreft aan pythons en wilde zwijnen. Recentelijk zijn nog nieuwe soorten muntjaks ontdekt op Borneo en in China.