MONGOOLSE GAZELLE  

De Mongoolse Gazelle komt voor in de noordelijke Xinziang en de westelijke Nei Monggol provincie in China, in Dsungarei en Gansu, zuid Mongolië en Rusland. De geschatte populatie bedraagt in Mongolië 700.000 en in China zo’n 1.500.000.

In de zomer is de vacht lichtbruin met een roze gloed. Naar de winter toe wordt de vacht bleker en de haren langer (tot 5 cm). De bovenkant en de buitenkant van de poten zij donkerder; de onderkant en de binnenkant van de poten wit. Verder heeft de gazelle een witte tekening bij de ogen, kin, keel en achterkant. Tijdens het paarseizoen ontwikkelen de mannetjes een gezwollen keel. De ogen zijn relatief klein.

Alleen de mannetjes zijn hoorndragend. De geringde hoorns zijn donkergrijs, liervormig, buigen vanaf het voorhoofd naar achter en weer terug omhoog. Ze worden 25 tot 40 cm lang.

In herfst en winter zijn de gazellen overdag actief en grazen gedurende de morgen en late namiddag. Ze graven hun bed in de luwte van de struiken waar ze tegen de wind beschut zijn. De snelle Mongoolse Gazelle haalt een snelheid tot wel 65 km per uur en houdt dit 15 km vol. Met regelmatige intervallen worden daarbij sprongen van 2 meter gemaakt. Het zijn goede zwemmers die ook grotere rivieren over kunnen steken.



 
  Procapra gutturosa    
 
Hoogte
84 cm
Gewicht
39 kg
Hoorns
40 cm
Leeftijd
7 jaar
   
     
     
     
     
     
     
       

In het voorjaar verzamelen zich kudden van 6.000 tot 8.000 dieren voor de jaarlijkse noordelijke trek. Hierbij worden af standen tot 300 km per dag afgelegd. In Juni worden de zomerweiden bereikt waar de sexen zich scheiden en de vrouwtjes zich voorbereiden op de geboorte van de kalveren.

De weiden beslaan een gebied van enkele honderden km2. De mannetjes zijn normaal stil maar laten tijdens de bronst een luid gebrul horen. Een normale kudde / familiegroep beslaat 20-30 dieren. In de winter kan dit uitgroeien tot 120 dieren. De grootste natuurlijke vijanden zijn de wolf en de lynx.

De naam komt van het Latijnse Pro: voor en Capra: geit ofwel de voorloper van de geiten. Guttur is de Latijnse naam voor keel en het aanhangsel –osus staat voor vol. Zoals gezegd zwelt de keel tijdens het paarseizoen.